Kerkelijk gebruik van de vaandels.

Schutterijen en gilden namen tijdens de protestantse overheersing in de zestiende en zeventiende eeuw Rooms-katholieke geestelijken in bescherming. Ook bewaakten zij de plaatsen waar clandestien de Mis werd gelezen. Toen de onderdrukking van de Kerk was afgelopen veranderden deze groepen van gewapend verzet in folkloristische verenigingen, die als erewacht vaak nog steeds een rol vervullen in de liturgie van de Kerk, vooral op hoogtijdagen. Vooral in Noord-Brabant is het vaandelzwaaien of vendelen nog steeds populair.
Verschillende oude broederschappen lieten hun patroonheilige borduren op kostbare vaandels, die werden meegedragen tijdens processies. Deze vaandels werden vervaardigd door goudborduurders, die rondom de medaillon met de heilige vaak indrukwekkende gouden cartouches borduurden.
De grootte van een vaandel weerspiegelt vooral de rijkdom van een broederschap, maar ze moesten vooral praktisch handelbaar zijn. Vaak werden deze geschonken door rijke parochianen, en werd hun wapenschild erop gezet. In Belgiƫ worden in de meeste oude kerken oude kostbare fluwelen vaandels en wimpels bewaard, die getuigen van de oude broederschappen. Deze vaandels zijn meestal opgenomen in de inventaris en zijn beschermd erfgoed.
Ook de vakbeweging nam deze traditie over, werkliedenbonden en vakbonden lieten grote vaandels maken. Ook studentenverenigingen, met name de corpora, gebruiken vaandels die in optochten worden meegedragen.
In sommige kringen is het traditie om als uiting van 'onderdanigheid' een koning of koningin, en ook de paus, bij een bezoek uit te nodigen over de gekoesterde en anders altijd letterlijk en figuurlijk 'hooggehouden' vaandels te lopen.